Het einde van de armoede

echte armoede bestaat toch neit meer in NL?

Gepubliceerd:

Ik heb altijd gedacht dat ‘armoede’, échte armoede, niet meer bestond in Nederland. Ik dacht dat wij in onze moderne maatschappij, met al onze belastingen en sociale wetgeving, met dat fenomeen wel afgerekend zouden hebben. De werkelijkheid is toch anders. De “Armoedemonitor” van de Gemeente Amsterdam geeft aan dat één op de vijf Amsterdammers in armoede leeft. Dat zijn er dus méér dan 140.000, en om dat getal wat in te kleuren: dat is drie keer een vol Arena stadion, drie keer een volle Kuip.

In de afgelopen maanden heb ik deel uitgemaakt van een commissie die een onderzoek gedaan heeft naar de armoede in de hoofdstad. Gedurende die maanden heb ik door de stad gezworven, de uithoeken van de stad gezien, voedselbanken bezocht, in straten en wijkgebouwen geweest die ik nog niet kende en ik heb de armoede in haar gezicht gezien. We hebben ons over de vraag gebogen hoe we die armoede structureel kunnen oplossen. Oplossen ja: dat kunnen we.
Natuurlijk is ‘armoede’ een kwestie van definitie. Armoede is relatief. Armoede in Amsterdam is anders dan armoede in Calcutta of Rio de Janeiro. Maar het leven is daar ook anders, en dat maakt dat armoede in Nederland, armoede in Amsterdam, ook echt ‘armoedig’ is. Je kunt lang en breed over de cijfers praten, maar neem nou maar rustig aan dat één op de vijf Amsterdammers  in een situatie leeft waarmee niemand zou willen ruilen, en daar gaat het om.

En dus leidt armoede tot uitsluiting, tot er niet bij horen, niet mee kunnen doen. Armoede heeft met kansen te maken, of beter gezegd met een gebrek aan kansen.
Iedereen reageert anders op het moment dat hij hoort van het verschijnsel maar allemaal schrikken we van de cijfers en feiten over armoede, en voelen we ons ook schuldig dat die armoede in onze geciviliseerde maatschappij bestaat. Het is zelfs nog erger, want het probleem wordt steeds groter. Wie één keer in armoede geraakt, blijft makkelijk hangen in een vicieuze cirkel, in een van generatie tot generatie doorgegeven leefpatroon waarin armoede een centrale rol speelt. Armoede is een hardnekkig verschijnsel waarvan je maar moeilijk los kunt komen, je weet op een gegeven moment echt niet meer hoe dat kan en óf dat wel kan.

Armoede manifesteert zich op diverse manieren, armoede verschilt van persoon tot persoon. Er zijn ouderen die arm zijn, er zijn sociaal en/of psychisch zwakkeren die arm zijn, er zijn arme kinderen en jongeren en er zijn óók veel werkenden, de ‘working poor’ genoemd, mensen die wel een baan hebben (of twee banen) maar die eenvoudigweg niet voldoende verdienen om zich boven de armoede grens uit te tillen. Dat laatste geeft meteen aan dat armoede geen keuze is, het is dus niet zoals sommigen zeggen ‘als ze maar wilden werken dan waren ze niet arm’. Van alle tien éénoudergezinnen in Amsterdam, komen er vier niet rond, zo kan ik nog wel even doorgaan. Je moet dus gedifferentieerd naar het armoedeprobleem kijken.
Armoede is schrijnend als je bedenkt dat er alleen al in Amsterdam ca 40.000 kinderen en jongeren in die situatie groot worden. Wat zien zij als hun toekomstperspectief? Hoeveel van hun talent zal er ooit tot ontwikkeling komen? Ze leren overleven, maar leren ze ook zich te ontwikkelen? Welk perspectief ziet hun omgeving in ze?
Armoede is hardnekkig als je bedenkt dat bijna driekwart van alle mensen al drie jaar of langer in die situatie verkeert.

Wat je ook van armoede mag zeggen, je mag haar niet ontkennen. Het armoedeprobleem raakt de hele gemeenschap, óók die andere 80% die boven de armoedegrens leeft. Want met zo veel armoede ontbeert het de samenleving aan voldoende draagkracht, koopkracht, gezondheid, openbare orde en cultuur.
Waar het uiteindelijk om gaat is dat zo veel mogelijk mensen zichzelf uit hun benarde situatie weten te bevrijden. Pleisters plakken helpt niet, wat ik daarmee bedoel te zeggen is dat nóg meer sociale regels en inkomensondersteuning geen duurzame oplossing biedt. Zoals Nobbelprijs winnaar Mohammed Yunus al zei: “je moet mensen geen visje geven, maar hengels zodat ze leren vissen”. Mensen moet zich, weliswaar geholpen maar toch op eigen kracht, een weg banen naar een betere toekomst, een zelfstandige prestatie die ze vervult met trots, met eigenwaarde, een gevoel van “dat heb ik zelf gedaan”, en die ervoor zorgt dat ze een voorbeeld, een rolmodel zijn voor anderen.
Als je mensen wilt activeren, zul je ze dus niet met een moralistische discussie over “schuld, eigen schuld en gemiste kansen” moeten confronteren.  “Don’t blame the victim”, dat heeft geen zin en het is ook onrechtvaardig. Armoede is géén vrije keuze. We moeten de focus leggen op het versterken van aanwezige potenties en we moeten een positieve en inspirerende insteek kiezen waarbij we serieuze eisen stellen aan de eigen veratnwoordelijkheid van betrokkenen. Uitgangspunt is het sterker maken, het ‘in hun kracht zetten’ van mensen die zich nu vaak niet sterk genoeg weten om zich te onttrekken aan de situatie waarin ze verkeren. Geen vangnet met regelingen, maar een uitweg uit de armoedesituatie. Dat ze daarbij hulp krijgen, is uiteindelijk in het voordeel van de samenleving: in plaats van uitkeringsgerechtigden creëren we belastingbetalers. Daar wordt iedereen beter van. Armoede is ‘verloren maatschappelijk kapitaal’. Een maatschappij die succesvol in armoede investeert, creërt een eigen economische winst bij iedere investering die rendement oplevert. Dan gaan  afvallers een bijdrage leveren. Niet iedere investering zal renderen, maar ieder rendement telt.

Ik studeerde ooit af met een scriptie over de verzorgingsstaat. In die tijd associeerde ik de verzorgingsstaat met ondersteuning, met ontwikkelingshulp, met een sociaal vangnet, met een zorgende staat. Met het voordeel van voortschrijdend inzicht en van de ervaring die ik opgedaan heb met microfinanciering op diverse plekken van deze wereld definieer ik de moderne verzorgingsstaat nú als “een staat die de burgers in staat stelt voor zichzelf te zorgen, en die zorgt voor wie dat niet lukt”.
Armoede is ook niet alleen een probleem van de politiek, en de politiek is ook niet de enige partij die iets kan doen. Er moet “een maatschappelijke coalitie” gesmeed waarbij tal van organisaties in het maatschappelijk veld betrokken moeten worden om hun steentje bij te dragen. Armoede moet bestreden worden, en we moeten onszelf ten doel stellen dat we dat maximaal willen doen. Eigenlijk moet armoede gewoon weg, laat dan een goed voornemen zijn.

Zeg niet dat het onmogelijk is. Iedere Olympische gouden medaille winnaar van 2012 weet dat hij of zij sneller, hoger of verder moet presteren dan de allerbeste prestatie tot nu toe. Niemand weerhoudt dat ervan om er elke dag keihard voor te trainen, en zie: het komt ook altijd uit. Ik alleen al in mijn korte leven een man op de maan zien komen, een muur zien vallen, een man uit de gevangenis zien lopen, een zwarte man president van Amerika zien worden. Vertelt u me dan niet dat we een probleem dat zó dichtbij is, niet kunnen oplossen.
Armoede moet de stad uit, armoede moet het land uit, en dat kan ook, als wij dat willen en erin durven geloven. Ik wel.

©R Koopmans
31 december 2008
 
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten
Rutger Koopmans.
Standaardsite gemaakt met website software van Ziber | Design De Graaf & Partners