Het jaar 2009 mag een rampjaar genoemd worden voor de financiële sector. Ik heb al eens iets geschreven over ‘zwarte maandag’ nadat bekend werd dat ING Groep zich gedwongen moest opsplitsen na druk vanuit Brussel als direct gevolg van de overheidssteun die ING ontvangen had. En dat nadat ABNAMRO als trots instituut al de bizarre vernedering had moeten meemaken om een staatsbedrijf te worden. De RABO doet nog mee in haar traditionele rol maar vecht haar eigen strijd om de befaamde AAA-rating waarop men al jaren (terecht) zo trots is. Alle andere banken zuchten, steunen, hijgen aan het infuus of berekenen in stilzwijgen hun potentiële verliezen. DSB werd ons eigen Icesave: ook Nederlandse banken zijn niet meer veilig. Kortom, het Nederlandse financiële systeem is ver, héél ver weggezakt. Men gaat zwaar gebukt onder de stormschade die men heeft opgelopen. Niemand roept meer met trots dat hij bankier is. Het woord ‘vertrouwen’ wordt al lang niet meer gekoppeld aan banken, laat staan aan bankiers.
Ik hoor niet tot de groep die verongelijkt mokt over de manier waarop de brede publieke opinie spreekt over ‘het bankwezen’. Ik bedoel maar: mijn diepe zorg komt voort uit het feit dat onze economie, met die grote portie export die alle economische vlammetjes brandende houdt, sterke internationale banken nodig heeft. Of je nu Shell of Unilever heet, of je als familieonderneming internationaal zaken doet, je wilt een Nederlandse bank als ‘hoeder van het Nederlandse belang’ betrokken weten. Je hebt een bank met een goed betalingssysteem nodig, dat is de zuurstofvoorziening voor een bedrijf. ABN AMRO en ook ING konden die rol met kracht en succes vervullen. Het is zeer de vraag of dat nog wel gecontinueerd kan worden in de komende jaren. Dat gaat betekenen dat Nederlandse geldstromen via buitenlandse banken, en dus buitenlandse economieën, gaan stromen. Dat belooft weinig goeds voor de zelfstandigheid van onze economie. Nederland is kwestbaarder geworden dan menigeen op dit moment beseft. Tel uit je verlies.
Ik werd verdrietig van alle verhalen die de hoofdrolspelers van 2009 in de afgelopen weken over elkaar vertelden. Een interview in Vrij Nederland met de Minister van Financiën, de reconstructie rondom het ING-drama in het FD, alle verhalen over DSB. Het lijkt erop dat er een enorme strijd gestreden wordt tussen de sector, de toezichthouder en de politiek, waarbij de persoonlijke verhoudingen tot een vriespunt zijn gedaald. Men gooit met sneeuwballen en modder. Laatst was ik getuige van een discussie tussen ING-ers waarbij Kroes en Bos tot moes werden vermalen en de door de politiek benoemde commissarissen als onwetend werden bestempeld. Ik huiverde bij die woorden. Ik dacht dat “De Prooi” al ontluisterend was, maar er blijkt op dit moment een veel groter verhaal geschreven te worden. De financiële sector, de toezichthouders, de politiek, men kent elkaar onvoldoende en men vertrouwt elkaar niet. Aan die band is te weinig gebouwd in de goede tijden, en nu is men niet op elkaar berekend in de zware tijden. Dat verklaart misschien waarom andere landen beter uit de crisis lijken te komen met hun banken (ook al presteren die wellicht slechter). Wie zich te weinig laat zien in de politiek, te weinig zijn publieke rol pakt, wie twee jaar geleden nog dezelfde Minister van Financiën de oren waste omdat hij commentaar had over de hoogte van de bankierssalarissen, die staat alleen ten tijde van crisis. Dat is een wetmatigheid die men ten zuiden van de grens in alle andere landen tot aan de Middellandse Zee veel beter heeft begrepen. Als de bankiers al boos zijn, laten ze het dan op zichzelf zijn. De banken hebben in 2009 geen vertrouwen genoten van hun eigen politieke leiders in hun overlevingsstrijd. Dat vertrouwen ontbrak omdat de politieke leiders geen reden konden bedenken om voor deze banken in Brussel en elders een lans te breken. Spijt over wat men gedaan heeft, waar het systeem gefaald heeft, over hun onvermogen om zich zonder overheidssteun staande te houden, hadden de bankiers niet en heeft men nog steeds niet. Aan de banken heeft het volgens de bankiers niet gelegen. Dat dáár de crisis begonnen is, ontkent men nog altijd. De banken staan in het krijt bij het publiek, bij de bedrijven, bij iedereen wiens vertrouwen is gebroken. Maar men weet het niet of ziet het niet.
De periode van zelfreflectie is voor de bankiers duidelijk nog niet begonnen, men zit nog in de ontkenningsfase en is dus boos. Ooit, nog niet in 2010, volgt de berusting en het inzicht. We zullen eerst een periode van nóg grotere ellende tegemoet gaan alvorens er uit een ander vaatje getapt gaat worden met een andere houding en gedrag. Een bredere publieke verantwoordelijkheid. Een breder scala van belangen dat gediend moet worden. En bovenal meer dienstbaarheid, de basishouding die hoort bij financiële dienstverlening.
Daar zijn we nu nog ver van verwijderd.




