De verkiezingen naderen en ik heb het nog nooit zo moeilijk gevonden om mijn keuze te bepalen. De situatie ligt dan ook gecompliceerd. Sinds 1982 ben ik (met een hele kleine onderbreking) lid van de PvdA. En dat heb ik sinds die tijd dan ook altijd gestemd. Ik was ooit een groot bewonderaar van Den Uyl. Als ik Wim Kok tegenkom voel ik nog steeds een groot respect. Wouter Bos ken ik sinds zijn tijd als Staatssecretaris van Financiën, zo rond 2000. Samen keken wij tijdens Euro 2000 naar Nederland-Joegoslavië (6-0) en toen al was ik niet van hem onder de indruk. Van Job Cohen had ik als burgemeester van Amsterdam altijd een hoge pet op. Totdat het PvdA-vuur in mij doofde. In mij gedoofd werd, moet ik daaraan toevoegen. Het sist nog ergens, maar te weinig om woensdag 9 juni een hokje voor ze rood te kleuren. Exit PvdA.
De oorzaak van mijn scheiding met de partij ligt in mijn ervaring met het armoededossier. In de afgelopen twee jaren heb ik intensief de verzorgingsstaat anno de 21e eeuw beleefd. Ik ben erachter gekomen dat waar we een halve eeuw geleden zo hard voor streden, vandaag de dag niet meer werkt. Het werkte toen overigens wel, en het was ook eerlijk voor al die mensen die zich zoveel opoffering getroost hadden om Nederland te helpen opbouwen na de Tweede Wereldoorlog. Kinderbijslag, AOW, alle sociale uitkeringen, het diende een sociaal doel en er was door de begunstigden zelf ook veel voor opgeofferd. Vele mensen vergeten dat tot 1963 alle lonen strak gestuurd werd binnen een regime van ‘geleide loonpolitiek’. Het woord bonus bestond niet, variabele beloning al evenmin en méér loon vragen werd centraal afgewimpeld. Nederland spaarde zich op die manier rijk, en zo werd er geïnvesteerd in de wederopbouw. Dat ging lang goed, totdat Philips in 1963 de ban brak en méér loon ging betalen om gekwalificeerde arbeid te kunnen behouden. Een korte tijd van sterke loonstijgingen volgde, maar een decennium later was er al de eerste oliecrisis, vijf jaar daarna de tweede oliecrisis en pas vanaf 1982 ontstond er een lange periode van economische groei waarvan velen geprofiteerd hebben, bijna 20 jaar lang. Ik schrijf die historie op omdat alles zo gauw vergeten wordt, omdat politici geen geheugen willen hebben en alleen opportunistisch naar voren willen kijken. Politici zijn wat dat betreft net mensen. Als ik erop terug kijk hadden we eigenlijk in 1982, bij het begin van de economische opleving, meteen de verzorgingsstaat moeten herijken. Ik pleitte daarvoor in mijn afstudeerscriptie “De toekomstkansen van de verzorgingsstaat”, maar het artikel daarover haalde destijds niet het partijblad van de PvdA, “Socialisme en Democratie”, vanwege mijn standpunt over de koppeling tussen lonen en uitkeringen. Tijdens mijn sabbatical kwam ik wéér middenin de discussie over de toekomst van de verzorgingsstaat terecht. Ik kwam erachter dat ons armoedebeleid hopeloos faalt. We helpen de armen, we verzachten de pijn, maar we bestrijden niet de armoede. Dat is niet sociaal, dat is unfair. We moeten de zwaksten in de samenleving sterker maken, en niet in de watten leggen door welzijnswerkers en in leven houden door uitkeringen. Op die manier hebben wij een grote groep ‘behoeftigen’ gecreëerd die verslaafd is geraakt aan de verzorgingsstaat. We hebben ook een grote groep verzorgenden aan het werk gezet, zij zijn gebaat bij stabilisatie van het armoedeprobleem, halvering van de armoede zou voor hun broodroof betekenen. En temidden van dat dilemma zit de PvdA vast in haar eigen wereld, haar zelfgeschapen paradigma. Joop den Uyl en Willem Drees leven nog voort in de hoofden van de bestuurders van vandaag, ook al hadden Drees en Den Uyl een andere tijd te besturen. De moderne verzorgingsstaat zou mensen moeten aanmoedigen voor zichzelf te zorgen, en zou moeten zorgen voor hen die dat niet kunnen. Dát is het nieuwe paradigma dat ik aan de partij voorgelegd heb. Ik heb de voorzitter van de PvdA, de fractievoorzitter, de zittende en de nieuwe partijleider ermee geconfronteerd. Ik heb voor het eerst van mijn leven een congres bijgewoond, en rook de geur van spruitjes. Welzijnswerkers, onderwijzers, bestuurders, ambtenaren, de hele ‘cirkel’ was aanwezig en heldhaftig werd de status quo bezongen. Terwijl verandering zo nodig is. Je moet mensen voor zichzelf en elkaar laten zorgen en zorgen voor wie daarbij tekort komt.
In 1982 werd ik daags na het grote verlies van de PvdA bij de Statenverkiezingen lid van de partij. Deze week zal ik één dag voor de verkiezingen mijn lidmaatschap opzeggen. Een sociaal democraat in hart en nieren gaat op zoek naar een partij die de nieuwe verzorgingsstaat vorm wil geven. Misschien richt ik die partij wel zelf op. Een land van vrijheid van meningsuiting en geloofsbeleving, een land waarin iedereen erbij hoort, een land waarin ieders talent telt, een land waarin iedereen de hoop mag hebben om bovenaan te komen, een land waarbij niet de staat maar het individu keuzes mag maken, een land waarin gezins- en familieleden en vrienden en buren en naasten elkaar sterker maken, een land waarin onderwijs hoog in het vaandel staat en presteren gestimuleerd en gewaardeerd wordt, een land waarin de ‘have not’ in evenveel aanzien staat als de ‘have’ omdat morgen de rollen omgedraaid kunnen zijn. Tja, zoek bij die denkbeelden maar eens een partij. Het is een nieuw paradigma, een nieuwe geur in de muffe politieke omgeving. Misschien hoort er ook wel een nieuwe politieke partij bij. Voorlopig moet ik op 9 juni nog een keuze bepalen en stemmen op één van de bestaande partijen. Dat wordt dus D’66 of VVD. Het kan gek lopen in je leven....




