| 
Er wordt me nog wel eens gevraagd of ik “het” heb zien aankomen, en dan bedoelt men deze financiële crisis. Naar waarheid antwoord ik dan dat niet het geval is. Ik wist namelijk niet dat het zó erg zou worden. Ik wist wél dat er iets te gebeuren stond, en dat de financiële sector bezig was gek te worden. Dat men bezig was om zichzelf voor de gek te houden. En niet alleen zichzelf, maar ook de rest van de maatschappij.
Ergens op deze site (zie “In de Pers”) kunt u een interview lezen dat ik vorig jaar gaf aan het Financieele Dagblad. “De kredietcrisis gaat ook het MKB raken”, zei ik toen. Die uitspraak is me toen door velen niet in dank afgenomen, ook al was mijn redenering wel zuiver. Er hing immers een zeepbel buiten de balansen van de banken, bestaande uit allemaal niet uit de balans blijkende verplichtingen. “Off balance” heet zo iets. Dat wil zeggen: niemand wist precies hoe groot ze waren. Als die zeepbel zou barsten, zou de ellende niet te overzien zijn, zei ik toen tegen de twee journalisten. We maakten er ook een schema van.
Deze ‘zeepbel ‘hebben de banken ongestraft over een periode van ca 15 jaar mogen opbouwen. Dat is niet een kwestie van de regering Bush, en ook niet een kwestie van de laatste jaren. Het is ook niet alleen een kwestie van de Amerikaanse banken, ook de meest gerenommeerde Nederlandse en Europese banken deden er in méér of mindere mate aan mee. Toezichthouders hebben het gezien en geweten, of gezien en níet geweten, of geen van beide. In ieder geval is weer eens bewezen dat water altijd zijn laagste punt opzoekt. Het is flauw om te zeggen dat de toezichthouder hier blaam treft. Er is wél heel veel voor te zeggen dat de toezichthoudende functie op een betere, internationalere leest geschoeid moet worden. Maar dat schreef ik een paar weken geleden ook al in mijn column over het ontstaan van de crisis. En als het kalf verdronken is dempt men de put, in dit geval met belastinggeld.
Gedurende al die jaren hebben banken leningen kunnen verstrekken, goede en slechte, en die via ‘securitisation’ weer buiten hun balans gebracht. Dat kwam erop neer dat er van die leningen effecten (aandelen en obligaties) gemaakt werden, die op allerlei manieren terecht kwamen bij pensioenfondsen en beleggingsfondsen voor particulieren. Dat was een feest voor velen: iedereen verdiende er dik aan, van de tussenpersoon tot de bank, de adviseur tot de verkoper, en uiteindelijk ook de belegger.
Ik heb met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe die markt gegroeid is in al die jaren. In de vroege jaren ’90 ging ik als bankier naar Amerika en kwam terug met als boodschap: “banken en bedrijven moeten aan securitisation gaan doen, want dat is een goedkopere manier van financiering”. Eerst was ik te vroeg en werd ik meewarig weggestuurd, ik kan daar nog aardige anecdotes over vertellen. Maar later zag ik de markt bijna exploderen, en dat heeft geleid tot wat de Gouden Eeuw voor bankiers, juristen en fiscalisten leek te worden. Dat die eeuw later een decennium bleek te duren, leek toen niemand te bevroeden. Vroeger was het vak van bankier een deugdzaam vak, dat redelijk goed verdiende. In de afgelopen jaren werd het een plek waar topsalarissen betaald werden. Dat leidde tot een gedragsverandering binnen de sector, en mijn conclusie is dat ‘hebzucht’ ons mede gebracht heeft waar we vandaag de dag staan.
Toch is het goedkoop om de schuld alléén bij de banken te leggen. De waarheid is óók dat het hier natuurlijk niet gaat om álle banken, en álle bankiers, want er bestaan vele zeer te respecteren banken, die nu meegesleept worden in de modderstroom. En de waarheid is ook dat er investeerders waren die zich lieten leiden door hún hebzucht. In de allereerste plaats de pensioenfondsen die plotseling ‘sexy’ gingen beleggen terwijl ze daarvoor het conservatisme zelve waren. En vergeet daarnaast de particuliere investeerders niet. Wat toch ooit mensen bezielde om op verjaardagsfeestjes tewillen pochen dat ze hun geld zo goed belegd hadden of dat ze de hoogste spaarrente van Europa kregen, begrijp ik werkelijk niet. Dat sommige mensen nooit begrepen hebben dat er nog nóóit een rendement is verzonnen waarbij niet een bijpassend risicoprofiel hoort, is simpelweg dom te noemen. Dat mensen hun geld bij buitenlandse banken stallen en dan verbaasd zijn dat zoiets extra risico’s met zich meebrengt, is naief.
Het is voor mij dan ook de vraag of je in al dat soort gevallen de depositiogarantie moet laten werken: wie zijn billen brandt mag ook wel eens op de blaren zitten. Ik vind dat de Bos cs sommige spaarders wel érg makkelijk en snel te hulp is geschoten.
Laten we wel zijn: de banken hebben veel vertrouwen verloren in de afgelopen dagen, weken en maanden. Dat geschonden vertrouwen is nu en straks de grootste horde naar een oplossing. Want we zullen banken wel móeten vertrouwen willen we ooit met elkaar uit deze crisis willen komen. We kúnnen simpelweg in onze economie niet om het financiele systeem heen, en dat systeem berust op vertrouwen. En dus moeten we vertrouwen op de banken die ‘clean’ zijn, en dat zijn er heus nog wel een paar. Dat is nu net wat de Minister van Financien probeert te doen met al zijn steun: vertrouwen creëren. En daar is hij naar mijn mening (en niet alleen die van mij) nog niet mee klaar. Om dezelfde reden wordt er ook nagedacht door de toezichthouder en de Minister van Financien over het leiderschap in de financiële sector. Als aandeelhouder in een aantal banken kunnen ze dat nu gaan doen, en zullen hun opvattingen zichtbaar gaan worden in de praktijk. Wat gebeurd is, mag nooit meer herhaald worden. Zoals ik al eerder zei: het beloningsbeleid bepaalt in sterke mate de manier waarop leiderschap gestalte krijgt. Hoe hoger de uitbetaling, hoe hoger de inzet, hoe hoger de risico’s.
De één zegt dat hij het allemaal had zien aankomen. Een ander zegt misschien dat “hij het niet geweten heeft” en een derde zal zeggen dat het ‘krachten van buiten’ waren die dit veroorzaakt hebben. Al die uitspraken zijn niet waar, achteraf heeft iedereen gelijk en ongelijk. De eerlijkheid gebiedt dat we ons zelf de vraag moeten stellen wie we kunnen vertrouwen, of we onszelf kunnen vertrouwen, en wat we daar voor moeten doen maar misschien nog belangrijker: wat we er voor moeten laten.
De hebzucht zat overal, en die hebzucht had iedereen bij de neus.
© Rutger Koopmans 21oktober 2008 |
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten Rutger Koopmans. | |