| 
Positivisten en Realisten
“Heb jij al last van de crisis”, is tegenwoordig een veel gehoorde vraag. Mensen voelen de crisis en vragen zich af of anderen dat net zo hebben. “De crisis”: het is een begrip geworden, een excuus, een uitvlucht, een manier van denken. Laatst was ik op een bijeenkomst in Den Haag waar een optimistische ondernemer ons in onvervalst Rotterdams uitlegde dat de crisis eigenlijk al voorbij was. Dat was wel komisch, want het signaal werd meteen opgepakt. De één na de ander bevestigde dat er van een crisis eigenlijk geen sprake kon zijn. Hoezo ontkenning van de werkelijkheid? In Duitsland noteert men nu al 6% economische krimp, dus let op: die 10% krimp die ik ooit voorspelde voor 2010 gaan we ook nog wel halen. De meeste ondernemers kennen ‘m al.
Ontkenning van de werkelijkheid, het kan een krachtig medicijn zijn. Het trekt wel op die mist, zegt de optimist. Wat een pest die mist, zegt de pessimist. Als chronische positivo ben ik zelf ook sterk geneigd te zeggen dat een nederlaag meer een ‘leerproces’ is, zoals Johan Cruijff soms zo cryptisch kon zeggen na een op onverklaarbare wijze verloren wedstrijd. In de tegenslag zit een uitdaging, een prikkel tot overleving. En dat roept het beste in de mens boven, dat heeft de geschiedenis al vaak bewezen.
Maar: chronisch positief is iets anders dan de feiten ontkennen, de waarheid niet onder ogen zien. Positvisme, al dan niet chronisch, is de drijfveer om de feiten positief te maken, en begint juist om de ‘nulpositie’ haarfijn onder ogen te zien. Hoe meer feitenkennis, hoe meer ruimte voor positivisme. Omgekeerd is ‘realisme’ vaak de drijfveer om de feiten maar vooral te laten zoals ze zijn, om je neer te leggen bij de realiteit. De werkelijkheid heerst, en verandering is nauwelijks mogelijk. Als iemand je vraagt om vooral realistisch te zijn, is dat vaak een teken van . Realisten ontbreekt het vaak aan visie, aan durf, aan verbeelding. Ze zijn vaak de eerste om dat toe te geven, want ze vinden die eigenschappen ook onverstandig bij het besturen. Ze komen er heel erg ver mee in onze maatschappij.
Ghandi was een positivo, dus een man met visie. “Wees nou maar de verandering die je wilt zien in de wereld”, zei hij. Begin het dus zélf anders te doen, en je zult zien dat je gevolgd wordt. Mandela is eigenlijk van het zelfde laken een pak, bedacht ik mij toen ik zijn “Long walk to freedom” las. De broers Kennedy hadden het, dominee Martin Luther King had het natuurlijk, en bij Obama weet je het ook meteen: “die man heeft het”. Die eigenschap is misschien het best verwoord door George Bernard Shaw, een Ier die een reeks van beroemde citaten op zijn naam heeft staan: “some men see things as they are and say ‘why’; others see things that never were and say ‘why not?’” Het is wat Einstein ooit zei: problemen kunnen niet opgelost worden binnen de orde waarbinnen ze zijn ontstaan. Een krachtiger filosofisch pleidooi voor verandering en voor ruimte voor onorthodox denken en ‘out of the box’ oplossingen is er in onze moderne tijd niet te vinden.
De realisten winnen het meestal althans op de korte termijn. U vindt ze onder de bestuurders van bedrijven en instellingen, binnen overheid en bedrijfsleven. Ze vormen daarin de meerderheid, en dat is maar goed ook. Ze gaan uit van wat er is, en binnen die kaders kijken zij naar de toekomst. Ze adoreren Barack Obama vanaf het moment dat hij president is, niet op het moment toen hij zich kandidaat stelde. Heel verstandig, met oog voor de realiteit. Realisten zijn bij uitstek in staat om de status quo te besturen en te beschermen. Ze zorgen daarmee voor veel stabiliteit en spreken een herkenbare taal. Onze taal, en die van vele andere volken, is doorspekt met uitdrukkingen die realisme tot een zaak van het verstand maken. Realisten volgen procedures, schrijven handleidingen en zweren bij statistieken en meetbare doelstellingen. Ze grijpen telkens erug op het verleden om de toekomst te begrijpen. Ze kijken wat dat betreft in hun achteruitrijspiegel om de route vóór hen te bepalen. Meestal werkt dat overigens prima.
In tijden van crisis vallen de realisten tijdelijk door de mand, maar omdat ze in de meerderheid zijn doen ze dat gezamenlijk en valt geen van hen uit de toon. Achteraf blijken het de eenlingen, de niet-realisten die de uitweg gevonden hebben, die de weg hebben weten te wijzen naar verbetering. Dat zijn de wetenschappers die na vele jaren onderzoek toch een medicijn weten te vinden voor een ziekte waar de wereld zich al aan had overgegeven. Het zijn de ondernemers die dingen beginnen waarvan een ander zich afvraagt of het wel realistisch is om dat te doen. De produktie van gloeilampen bijvoorbeeld, of van navigatieapparatuur, of van auto’s die niet meer dan € 1000 kosten. Het zijn mensen die zoals Nelson Mandela 26 jaar van hun leven opofferen omdat zij wél geloven wat anderen ook zouden kunnen geloven als die vervelende realiteit hen niet in hun macht hield.
De grootste denkfout van de realisten is dat ze denken dat zij de feiten onder ogen zien, en vanuit die werkelijkheid moeten opereren. Wat ze namelijk niet onder ogen zien is dat in de geschiedenis, iedere dag weer, dingen gebeuren die uniek zijn en die nooit gebeurd waren als iedereen de werkelijkheid als uitgangspunt neemt. Een probleem kan nooit binnen zijn eigen werkelijkheid opgelost worden, nietwaar? “Het toppunt van domheid is om iedere keer hetzelfde te doen, en te denken dat er een andere uitkomst komt”, zei diezelfde Einstein ook al eens. Het wordt dus tijd om ons maatschappelijke realisme opzij te zetten, en na te gaan denken over nieuwe oplossingen, een nieuwe maatschappelijke orde, een nieuw financieel systeem, een nieuwe manier om de werkelijkheid vorm te geven.
Olivier B. Bommel zou in zo’n geval zeggen: “Tom Poes, verzin een list”. En dat is precies wat nodig is.
Rutger Koopmans 28 april 2009 |
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten Rutger Koopmans. | |